Ik heb een vraag - homepage

Sinds wanneer zijn mensen glas gaan gebruiken in ramen. En wanneer de gewone mensen? Wat deden ze daarvoor?

pijl16/06/2008 - Karel (61 jaar)

Politiek & Geschiedenis Context van de vraag:

eigenlijk is dit, naar mijn mening, een belangrijke geschiedkundige(?) gebeurtenis omdat woningen tochtvrijer en lichter werden.


Antwoord

Glas wordt sinds de Romeinse periode gebruikt om ramen te maken. In deze periode, en totaan de 19de eeuw, kwamen de (vaak erg kleine) glasvensters enkel in huizen van de rijken en de burgerij voor. Het gebruik van glasvensters wordt pas algemeen vanaf de industriële revolutie, aan het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw.

Deze vraag werd beantwoord door:
Dominique Bosquet
attaché

Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen
Vrije Universiteit Brussel
Vrije Universiteit Brussel
 

Reacties op deze vraag

07/08/2008
dr.ir. Siska Waelkens

Een reactie vanuit Architectuur:
Glas in ramen was lange tijd geen evidentie.
Kijken we naar onze regio, dan duikt het eerste glas voor ramen in gebouwen vermoedelijk op rond 1200. Het is dan een luxemateriaal, bijvoorbeeld voor ramen in kerken en kloosters. Technisch gezien is men enkel in staat kleine plaatjes glas te produceren, waardoor die stukjes dienen vergaard te worden in de bekende ‘glas in lood-ramen’. De gewone middeleeuwer moet het in zijn woning echter nog altijd stellen met open venstergaten, in het beste geval afgesloten met luiken. Wat men ook wel doet is die openingen afsluiten met doorzichtige materialen, zoals varkens- of visblaas en geolied perkament van dierhuid (van ecologische bouwmaterialen gesproken…). Vóór de middeleeuwen dienen de vensters dan ook vooral voor ventilatie en afvoer van rook!
Niettemin evolueren de techniek en de beschikbaarheid van glas ondertussen, en begint men ook belang te hechten aan zicht naar buiten en daglicht binnen.
Op de schilderijen van de Vlaamse primitieven kan je zien hoe de toestand van onze vensters er rond de 15e eeuw uitzag. Het waren kruisvensters, waarbij de twee onderste velden gesloten werden met houten luiken en de twee bovenste met panelen glas-in-lood. Als de luiken openstonden had je dus gewoon een open gat.
Deze opstelling had een paar praktische kanten. Je kon de hoeveelheid duur glas beperken, je kon de luiken als ze horizontaal opendraaiden als winkeltablet en luifel gebruiken, en door het glas-in-lood bovenaan te plaatsen kreeg je beter en dieper licht in de ruimte.
Vanaf de 16e eeuw wordt glas een courant materiaal in de burgerhuizen van de middenklasse; de vensteropeningen zijn nu volledig beglaasd.
Vanaf de 17e eeuw vat men het glas in houten roeden in plaats van in lood. In de 18e eeuw zet de trend naar grotere vensters zich door, maar de glasplaten blijven relatief klein. Dit soort vensters herken je daarom aan de indeling in kleine rechthoekig ruiten. Wie rijk is kan veel grote ramen voorzien en pronkt daar graag mee, wie armer is moet het met minder en kleiner stellen.
Geleidelijk aan slaagt men erin grote oppervlakken ‘getrokken’ glas te produceren. Dat weerspiegelt zich in steeds minder onderverdelingen in de ramen. Zo krijg je bv. de T-vormige raamindelingen te zien die typisch zijn voor de late 19e en vroege 20e eeuw. Dit glas is echter nog altijd onregelmatig van oppervlak.
Het is pas wanneer men het floatglas uitvindt dat we perfect vlak glas in grote platen kunnen produceren. Dit glas wordt bekomen door het in gesmolten toestand over een tinbad te laten lopen.
Han Vandevyvere, K.U.Leuven dept. ASRO



Enkel de vraagsteller en de wetenschappers kunnen reageren op deze vraag en het antwoord.